Duurzaamheid
TenneT werkt hard aan het uitbreiden van het elektriciteitsnet. Modulair bouwen volgens een gestandaardiseerde werkwijze draagt daaraan bij. Nu willen we niet alleen sneller, maar ook duurzamer bouwen. Daarom beperken we waar mogelijk onze CO₂- en stikstofuitstoot.
Joris den Breejen
Nelleke Jansen
Nelleke besluit: ‘De MKI helpt het gesprek over duurzame keuzes te voeren op basis van data. Dat maakt het makkelijker om focus te bepalen. Binnenkort hebben we een tussentijdse resultatenrapportage en gaan dan in gesprek met het ontwerpteam. Zo willen we de standaard daadwerkelijk verduurzamen.’
Er zijn ook uitkomsten die buiten het standaardisatieprogramma vallen, maar wel milieu-impact maken. Joris licht toe: ‘Uit analyse bleek dat het ophogen van de grond met zand grote impact heeft. Dat gegeven kan je meenemen in de locatiekeuze voor een station, waarvoor misschien veel schaars zand nodig is, dat ook nog eens getransporteerd moet worden. Een ander voorbeeld is het onderhoudsprogramma van een lijnportaal. Impact gaat immers niet alleen over de ontwerpkeuzes, het materieel, het bouwen en het slopen. Ook het onderhoudsregime tijdens de hele levensduur speelt een rol. De MKI geeft dat duidelijk aan. Wat mij betreft een goed voorbeeld van de kracht van dit instrument.’
‘Binnen het standaardisatieprogramma is de MKI bijzonder krachtig,’ zegt Nelleke. ‘Als je voor één standaard een referentie berekent, kun je die namelijk direct toepassen op projecten in dezelfde batch. Dat maakt de aanpak efficiënt én impactvol en dat was voor ons de aanleiding om hiermee te starten.’
‘De MKI is gekoppeld aan een levenscyclusanalyse,’ legt Nelleke uit. ‘Van grondstofwinning en productie tot transport, gebruik en einde levensduur. We bekijken welke fasen we meenemen, welke scope van toepassing is en waar we de juiste milieu-informatie vandaan halen. Bij voorkeur komen data van leveranciers, anders maken we gebruik van de Nationale MilieuDatabase (NMD). Uit de berekening van de MKI blijkt waar de grootste milieubelasting zit, en kan je een zwaartepuntanalyse doen. Dat helpt in het maken van de juiste keuzes.’
Nelleke vertelt: ‘De MKI is een van de pijlers van de Roadmap Duurzaamheid. We berekenen hiermee de milieu-impact van een component of stationsonderdeel – of zelfs een heel station. Joris vult aan: ‘Negentien milieucriteria – van klimaatverandering en watergebruik tot verandering van landgebruik – vatten we samen in één getal. Daardoor kun je projecten veel makkelijker onderling vergelijken. Dat werkt overzichtelijker en efficiënter. En omdat de MKI in de infrasector veel wordt gebruikt, kunnen we ook buiten TenneT vergelijken.’
Bij TenneT gebeurt uiteraard nog meer om duurzamer te bouwen. Binnen het standaardisatieprogramma werken Nelleke Jansen en Joris den Breejen samen met de EU-30x contractpartners aan de milieukostenindicator (MKI). Dit instrument laat in één cijfer zien wat de milieu-impact is van ontwerpkeuzes. Zo helpt de MKI ons om duurzame, onderbouwde keuzes te maken én om standaarden meetbaar te verduurzamen.
Sommige ontwerpkeuzes hebben meer impact op stikstofuitstoot dan andere. Martine legt uit: ‘De grootste uitstoot ontstaat bij grondverzet, waar veelal dieselmaterieel wordt ingezet. Door materialen lichter te maken kun je makkelijker elektrisch materieel gebruiken. Ook bij werkwegen en werkterreinen kun je keuzes maken – het gebruik van kunststof rijplaten in plaats van ijzeren rijplaten is bijvoorbeeld beter. En kijk eens naar kabelaanlegmethodes en de uitstoot daarvan. Inzicht daarin maakt het makkelijker te kiezen voor een optie die minder stikstof uitstoot.’
‘Wanneer je te veel stikstof uitstoot in een bouwproject, belemmert of vertraagt dat in de uitvoering,’ vertelt Martine. ‘Bijvoorbeeld doordat je de juiste vergunning niet krijgt. Dan moet je opnieuw het project bekijken en aanpassen. Denk aan het weglaten van een kelder, locatiekeuze, het vervangen van dieselmaterieel en het beperken van bouwbewegingen. Zulke aanpassingen kosten vaak veel tijd en soms miljoenen euro’s. Door vooraf inzicht te hebben op de uitstoot van onder andere stikstof, voorkom je mogelijk vertraging in je project.’
Het programma EOB waarbinnen Martine de stikstofkeuzehulp ontwikkelt, heeft veel raakvlakken met het programma Standaardisatie. Zo onderzoeken ze beide hoe duurzaam en modulair ontwerpen bijdraagt aan (stikstof)emissiereductie en een sneller vergunningstraject. Ook werken beide programma’s aan een snellere uitvoering. Geprefabriceerde modules hoeven op de bouwplaats alleen nog aan elkaar te worden gekoppeld en aangesloten.
De keuzehulp bestaat nu vooral uit een uitgebreide set gegevens, die Martine samen met Sweco doorontwikkelt. Het onderdeel locatiekeuze is al vergevorderd en geeft veel inzicht in factoren zoals bodemgesteldheid, waterstand, hoogteligging, Natura 2000-gebieden en stikstofberekeningen. Martine: ‘In 2026 testen we de keuzehulp in een pilotproject. We onderzoeken dan ook hoe we de keuzehulp gebruiksvriendelijk kunnen maken.’
Het is belangrijk om aannemers mee te nemen op weg naar het uitvoeringsontwerp. Guido legt uit: ‘Wat we bedenken moet natuurlijk wel uitvoerbaar zijn. Daarom willen we onze EU303-partners zeker betrekken. Hoe gaan we het maken, wat doen we in de fabriek en wat bouwen we op locaties? Daarvoor gebruiken we graag de input van stationsaannemers. Zij zien ook dat het waardevol is om mee te denken.’ Nu het definitief ontwerp is goedgekeurd, gaat het team van Guido en Olav verder met het uitvoeringsontwerp voor het modulair duurzaam CDG. De verwachting is dat dit medio 2026 afgerond is.
Het projectteam heeft het ontwerp op verschillende manieren duurzamer gemaakt. Zo is zo’n 95 procent van het beton eruit gehaald. Olav: ‘Er zit niet langer een kelder onder het gebouw, we zetten het op het maaiveld. Dat scheelt zoveel beton. En voor de wanden en gevels gebruiken we houtskeletbouw met stalen herbruikbare frames. Verder kijken we naar milieuvriendelijker isolatiemateriaal.’
Bij batch 1 gingen we nog uit van een traditioneel gebouw, vertelt Olav. ‘Je werkt met een eisenset. Daarbinnen kies je bijvoorbeeld voor beton en steenstrips, een bepaald dak en invulling van de ruimtes. Om te verduurzamen in batch 2, moesten we even flink aan de eisenset schudden.’ Hoe zit dat? Een eisenset is niet altijd heel functioneel opgeschreven, legt hij uit. ‘Stel, in de eisen staat dat je een gewapende betonnen vloer van twintig centimeter dik moet toepassen. Dat beperkt je ontwerpvrijheid. We proberen dan de eis anders te formuleren. Bijvoorbeeld door te zeggen: de vloer moet deze eigenschappen hebben, of aan deze functies voldoen. Dat biedt meer duurzame mogelijkheden en oplossingen.’
In principe ziet straks ieder centraal dienstengebouw er min of meer hetzelfde uit. En dat is op veel vlakken voordelig. Guido: ‘Het Management Forum Techniek (MFT) heeft het detailontwerp van het modulair duurzaam CDG goedgekeurd. Daarin staat hoe het gebouw wordt gebruikt, welke functies en installaties er zijn en hoe we technische ruimtes logisch positioneren. Ook kijken we naar de gebruikers, wie zitten in dit gebouw en wat hebben zij nodig?’ Olav: ‘Gebruikers zeiden ons: ik kom niet elke dag in het gebouw, misschien twee keer per jaar. Dan is het steeds zoeken wat nu waar zit. Je wil dus dat functies logisch gegroepeerd zijn. In het ontwerp hebben we daarom standaardplekken voor kantines en kantoren en de secundaire ruimte, van waaruit de aansturing van het station plaatsvindt.’
‘We startten in 2023 binnen GFN met het standaard CDG en wilden daarin een modulaire opzet,’ vertelt Guido. ‘Movares had al ervaring met het CDG vanuit batch 1. Die kennis wilden we graag gebruiken. Het ingenieursbureau voegt bovendien veel waarde toe met hun kennis over duurzame technische installaties en duurzaam materiaalgebruik.’ Olav vult aan: ‘Bij Movares werkten we vanuit batch 1 aan standaardisering van civielbouwkundige objecten op de hoogspanningsstations. LPN vroeg ons vervolgens om het CDG te verduurzamen. De opdrachten van GFN en LPN leken behoorlijk op elkaar. Daarom besloten we ze samen te voegen en de CDG’s duurzaam modulair te ontwerpen. Dit ontwerp wordt ook binnen batch 2 van Modulair Bouwen toegepast.’
Martine Maarschalkerweerd
Programmamanager Emissieloos Ontwerpen en Bouwen (EOB)
Olav Majoor
Projectleider bij Movares
Guido Nijenhuis
Projectleider GFN
Binnen Modulair Bouwen werken we samen met Movares aan een nieuw duurzaam gestandaardiseerd ontwerp voor het centraal dienstengebouw (CDG). Ieder hoogspanningsstation heeft zo’n centraal gebouw met onder andere een kantoor, sanitaire voorzieningen, technische installaties en opslag. Guido Nijenhuis (projectleider GFN) en Olav Majoor (projectleider bij Movares) vertellen over de aanpak.
de toekomst van het CDG
Als programmamanager Emissieloos Ontwerpen en Bouwen (EOB) ontwikkelt Martine Maarschalkerweerd een keuzehulp die ontwerpers ondersteunt bij slimme ontwerp-, materiaal- en bouwkeuzes om stikstofuitstoot te beperken.
Duurzaamheid
TenneT werkt hard aan het uitbreiden van het elektriciteitsnet. Modulair bouwen volgens een gestandaardiseerde werkwijze draagt daaraan bij. Nu willen we niet alleen sneller, maar ook duurzamer bouwen. Daarom beperken we waar mogelijk onze CO₂- en stikstofuitstoot.
Nelleke besluit: ‘De MKI helpt het gesprek over duurzame keuzes te voeren op basis van data. Dat maakt het makkelijker om focus te bepalen. Binnenkort hebben we een tussentijdse resultatenrapportage en gaan dan in gesprek met het ontwerpteam. Zo willen we de standaard daadwerkelijk verduurzamen.’
Er zijn ook uitkomsten die buiten het standaardisatieprogramma vallen, maar wel milieu-impact maken. Joris licht toe: ‘Uit analyse bleek dat het ophogen van de grond met zand grote impact heeft. Dat gegeven kan je meenemen in de locatiekeuze voor een station, waarvoor misschien veel schaars zand nodig is, dat ook nog eens getransporteerd moet worden. Een ander voorbeeld is het onderhoudsprogramma van een lijnportaal. Impact gaat immers niet alleen over de ontwerpkeuzes, het materieel, het bouwen en het slopen. Ook het onderhoudsregime tijdens de hele levensduur speelt een rol. De MKI geeft dat duidelijk aan. Wat mij betreft een goed voorbeeld van de kracht van dit instrument.’
‘Binnen het standaardisatieprogramma is de MKI bijzonder krachtig,’ zegt Nelleke. ‘Als je voor één standaard een referentie berekent, kun je die namelijk direct toepassen op projecten in dezelfde batch. Dat maakt de aanpak efficiënt én impactvol en dat was voor ons de aanleiding om hiermee te starten.’
Joris den Breejen
Nelleke Jansen
‘De MKI is gekoppeld aan een levenscyclusanalyse,’ legt Nelleke uit. ‘Van grondstofwinning en productie tot transport, gebruik en einde levensduur. We bekijken welke fasen we meenemen, welke scope van toepassing is en waar we de juiste milieu-informatie vandaan halen. Bij voorkeur komen data van leveranciers, anders maken we gebruik van de Nationale MilieuDatabase (NMD). Uit de berekening van de MKI blijkt waar de grootste milieubelasting zit, en kan je een zwaartepuntanalyse doen. Dat helpt in het maken van de juiste keuzes.’
Nelleke vertelt: ‘De MKI is een van de pijlers van de Roadmap Duurzaamheid. We berekenen hiermee de milieu-impact van een component of stationsonderdeel – of zelfs een heel station. Joris vult aan: ‘Negentien milieucriteria – van klimaatverandering en watergebruik tot verandering van landgebruik – vatten we samen in één getal. Daardoor kun je projecten veel makkelijker onderling vergelijken. Dat werkt overzichtelijker en efficiënter. En omdat de MKI in de infrasector veel wordt gebruikt, kunnen we ook buiten TenneT vergelijken.’
Bij TenneT gebeurt uiteraard nog meer om duurzamer te bouwen. Binnen het standaardisatieprogramma werken Nelleke Jansen en Joris den Breejen samen met de EU-30x contractpartners aan de milieukostenindicator (MKI). Dit instrument laat in één cijfer zien wat de milieu-impact is van ontwerpkeuzes. Zo helpt de MKI ons om duurzame, onderbouwde keuzes te maken én om standaarden meetbaar te verduurzamen.
Het is belangrijk om aannemers mee te nemen op weg naar het uitvoeringsontwerp. Guido legt uit: ‘Wat we bedenken moet natuurlijk wel uitvoerbaar zijn. Daarom willen we onze EU303-partners zeker betrekken. Hoe gaan we het maken, wat doen we in de fabriek en wat bouwen we op locaties? Daarvoor gebruiken we graag de input van stationsaannemers. Zij zien ook dat het waardevol is om mee te denken.’ Nu het definitief ontwerp is goedgekeurd, gaat het team van Guido en Olav verder met het uitvoeringsontwerp voor het modulair duurzaam CDG. De verwachting is dat dit medio 2026 afgerond is.
Het projectteam heeft het ontwerp op verschillende manieren duurzamer gemaakt. Zo is zo’n 95 procent van het beton eruit gehaald. Olav: ‘Er zit niet langer een kelder onder het gebouw, we zetten het op het maaiveld. Dat scheelt zoveel beton. En voor de wanden en gevels gebruiken we houtskeletbouw met stalen herbruikbare frames. Verder kijken we naar milieuvriendelijker isolatiemateriaal.’
Olav Majoor
Projectleider bij Movares
Guido Nijenhuis
Projectleider GFN
de toekomst van het CDG
Martine Maarschalkerweerd
Programmamanager Emissieloos Ontwerpen en Bouwen (EOB)
Bij batch 1 gingen we nog uit van een traditioneel gebouw, vertelt Olav. ‘Je werkt met een eisenset. Daarbinnen kies je bijvoorbeeld voor beton en steenstrips, een bepaald dak en invulling van de ruimtes. Om te verduurzamen in batch 2, moesten we even flink aan de eisenset schudden.’ Hoe zit dat? Een eisenset is niet altijd heel functioneel opgeschreven, legt hij uit. ‘Stel, in de eisen staat dat je een gewapende betonnen vloer van twintig centimeter dik moet toepassen. Dat beperkt je ontwerpvrijheid. We proberen dan de eis anders te formuleren. Bijvoorbeeld door te zeggen: de vloer moet deze eigenschappen hebben, of aan deze functies voldoen. Dat biedt meer duurzame mogelijkheden en oplossingen.’
In principe ziet straks ieder centraal dienstengebouw er min of meer hetzelfde uit. En dat is op veel vlakken voordelig. Guido: ‘Het Management Forum Techniek (MFT) heeft het detailontwerp van het modulair duurzaam CDG goedgekeurd. Daarin staat hoe het gebouw wordt gebruikt, welke functies en installaties er zijn en hoe we technische ruimtes logisch positioneren. Ook kijken we naar de gebruikers, wie zitten in dit gebouw en wat hebben zij nodig?’ Olav: ‘Gebruikers zeiden ons: ik kom niet elke dag in het gebouw, misschien twee keer per jaar. Dan is het steeds zoeken wat nu waar zit. Je wil dus dat functies logisch gegroepeerd zijn. In het ontwerp hebben we daarom standaardplekken voor kantines en kantoren en de secundaire ruimte, van waaruit de aansturing van het station plaatsvindt.’
‘We startten in 2023 binnen GFN met het standaard CDG en wilden daarin een modulaire opzet,’ vertelt Guido. ‘Movares had al ervaring met het CDG vanuit batch 1. Die kennis wilden we graag gebruiken. Het ingenieursbureau voegt bovendien veel waarde toe met hun kennis over duurzame technische installaties en duurzaam materiaalgebruik.’ Olav vult aan: ‘Bij Movares werkten we vanuit batch 1 aan standaardisering van civielbouwkundige objecten op de hoogspanningsstations. LPN vroeg ons vervolgens om het CDG te verduurzamen. De opdrachten van GFN en LPN leken behoorlijk op elkaar. Daarom besloten we ze samen te voegen en de CDG’s duurzaam modulair te ontwerpen. Dit ontwerp wordt ook binnen batch 2 van Modulair Bouwen toegepast.’
Binnen Modulair Bouwen werken we samen met Movares aan een nieuw duurzaam gestandaardiseerd ontwerp voor het centraal dienstengebouw (CDG). Ieder hoogspanningsstation heeft zo’n centraal gebouw met onder andere een kantoor, sanitaire voorzieningen, technische installaties en opslag. Guido Nijenhuis (projectleider GFN) en Olav Majoor (projectleider bij Movares) vertellen over de aanpak.
Het programma EOB waarbinnen Martine de stikstofkeuzehulp ontwikkelt, heeft veel raakvlakken met het programma Standaardisatie. Zo onderzoeken ze beide hoe duurzaam en modulair ontwerpen bijdraagt aan (stikstof)emissiereductie en een sneller vergunningstraject. Ook werken beide programma’s aan een snellere uitvoering. Geprefabriceerde modules hoeven op de bouwplaats alleen nog aan elkaar te worden gekoppeld en aangesloten.
De keuzehulp bestaat nu vooral uit een uitgebreide set gegevens, die Martine samen met Sweco doorontwikkelt. Het onderdeel locatiekeuze is al vergevorderd en geeft veel inzicht in factoren zoals bodemgesteldheid, waterstand, hoogteligging, Natura 2000-gebieden en stikstofberekeningen. Martine: ‘In 2026 testen we de keuzehulp in een pilotproject. We onderzoeken dan ook hoe we de keuzehulp gebruiksvriendelijk kunnen maken.’
Sommige ontwerpkeuzes hebben meer impact op stikstofuitstoot dan andere. Martine legt uit: ‘De grootste uitstoot ontstaat bij grondverzet, waar veelal dieselmaterieel wordt ingezet. Door materialen lichter te maken kun je makkelijker elektrisch materieel gebruiken. Ook bij werkwegen en werkterreinen kun je keuzes maken – het gebruik van kunststof rijplaten in plaats van ijzeren rijplaten is bijvoorbeeld beter. En kijk eens naar kabelaanlegmethodes en de uitstoot daarvan. Inzicht daarin maakt het makkelijker te kiezen voor een optie die minder stikstof uitstoot.’
‘Wanneer je te veel stikstof uitstoot in een bouwproject, belemmert of vertraagt dat in de uitvoering,’ vertelt Martine. ‘Bijvoorbeeld doordat je de juiste vergunning niet krijgt. Dan moet je opnieuw het project bekijken en aanpassen. Denk aan het weglaten van een kelder, locatiekeuze, het vervangen van dieselmaterieel en het beperken van bouwbewegingen. Zulke aanpassingen kosten vaak veel tijd en soms miljoenen euro’s. Door vooraf inzicht te hebben op de uitstoot van onder andere stikstof, voorkom je mogelijk vertraging in je project.’
Als programmamanager Emissieloos Ontwerpen en Bouwen (EOB) ontwikkelt Martine Maarschalkerweerd een keuzehulp die ontwerpers ondersteunt bij slimme ontwerp-, materiaal- en bouwkeuzes om stikstofuitstoot te beperken.