‘Alle regio’s kennen andere beschikbare transportcapaciteit, andere pieken in vraag en aanbod, een ander flexibiliteitspotentieel én andere verwachtingen ten aanzien van de toekomstige groei. Elke regio vraagt daarom om een eigen aanpak van congestie.’
Deze mismatch van vraag en aanbod roept om in beide situaties om flexibiliteit: het verschuiven van vraag en/of aanbod op de piekmomenten dat er geen transportcapaciteit is. Niet alleen om de huidige mismatch op te lossen. Ook in het energiesysteem van de toekomst is flexibiliteit cruciaal om vraag en aanbod van energie in balans te brengen.
Deze flexibliteit is alleen niet in alle regio’s even makkelijk te vinden. Dit is bijvoorbeeld een van de redenen waarom de situatie in de regio Utrecht nu zo nijpend is: hier is maar beperkte industrie aanwezig. De flexibiliteit moet hier vooral van huishoudens komen. Dit betekent vooral gedragsverandering bij consumenten in het energieverbruik.
Lees hier verder over mogelijke maatregelen.
In gebieden waar veel en gelijktijdig vraag is naar stroom, treedt juist afnamecongestie op. Dit komt vooral voor bij grote energieclusters of stedelijke gebieden. Met name op piekmomenten is er dan meer vraag naar elektriciteit dan het net kan leveren. Hoewel in dichtbevolkte gebieden ons net historisch meer transportcapaciteit heeft (‘zwaarder is uitgevoerd’), voldoet het niet meer aan de enorme vraagtoename tijdens de piekmomenten.
Invoedingscongestie ontstaat vooral daar waar veel duurzame opwek geconcentreerd is. Dit kunnen landelijke gebieden zijn met veel zon- en windparken. De provincie Groningen en de Noordoostpolder zijn hier goede voorbeelden van. Maar ook lokaler kunnen bedrijfsterreinen veel invoeding laten zien door zonnedaken. Onze kustprovincies kennen ook bovengemiddeld veel invoeding door de windproductie.
In landelijke gebieden is het elektriciteitsnet van oudsher ‘dun’ uitgevoerd. Simpelweg omdat hier minder bedrijven en woningen waren die stroom verbruiken. Het net is daar niet berekend op de teruglevering van opgewekte (zonne- of wind)stroom van grote omvang. Op een zonnige of winderige dag kan dan niet alle stroom getransporteerd worden richting andere gebieden in Nederland. Daarom treedt er in die regio’s dan veel invoedingscongestie op. In andere regio’s, zoals de Randstad, is er nauwelijks sprake van deze invoedingscongestie.
Netcongestie
Deze mismatch van vraag en aanbod roept om in beide situaties om flexibiliteit: het verschuiven van vraag en/of aanbod op de piekmomenten dat er geen transportcapaciteit is. Niet alleen om de huidige mismatch op te lossen. Ook in het energiesysteem van de toekomst is flexibiliteit cruciaal om vraag en aanbod van energie in balans te brengen.
Deze flexibliteit is alleen niet in alle regio’s even makkelijk te vinden. Dit is bijvoorbeeld een van de redenen waarom de situatie in de regio Utrecht nu zo nijpend is: hier is maar beperkte industrie aanwezig. De flexibiliteit moet hier vooral van huishoudens komen. Dit betekent vooral gedragsverandering bij consumenten in het energieverbruik.
Lees hier verder over mogelijke maatregelen.
‘Alle regio’s kennen andere beschikbare transportcapaciteit, andere pieken in vraag en aanbod, een ander flexibiliteitspotentieel én andere verwachtingen ten aanzien van de toekomstige groei. Elke regio vraagt daarom om een eigen aanpak van congestie.’
Invoedingscongestie ontstaat vooral daar waar veel duurzame opwek geconcentreerd is. Dit kunnen landelijke gebieden zijn met veel zon- en windparken. De provincie Groningen en de Noordoostpolder zijn hier goede voorbeelden van. Maar ook lokaler kunnen bedrijfsterreinen veel invoeding laten zien door zonnedaken. Onze kustprovincies kennen ook bovengemiddeld veel invoeding door de windproductie.
In landelijke gebieden is het elektriciteitsnet van oudsher ‘dun’ uitgevoerd. Simpelweg omdat hier minder bedrijven en woningen waren die stroom verbruiken. Het net is daar niet berekend op de teruglevering van opgewekte (zonne- of wind)stroom van grote omvang. Op een zonnige of winderige dag kan dan niet alle stroom getransporteerd worden richting andere gebieden in Nederland. Daarom treedt er in die regio’s dan veel invoedingscongestie op. In andere regio’s, zoals de Randstad, is er nauwelijks sprake van deze invoedingscongestie.
In gebieden waar veel en gelijktijdig vraag is naar stroom, treedt juist afnamecongestie op. Dit komt vooral voor bij grote energieclusters of stedelijke gebieden. Met name op piekmomenten is er dan meer vraag naar elektriciteit dan het net kan leveren. Hoewel in dichtbevolkte gebieden ons net historisch meer transportcapaciteit heeft (‘zwaarder is uitgevoerd’), voldoet het niet meer aan de enorme vraagtoename tijdens de piekmomenten.
Netcongestie