Het elektriciteitsnet bestaat uit verschillende lagen: hoogspanning, middenspanning en laagspanning. Die netten zijn nauw met elkaar verbonden.

Laagspanning

Middenspanning

Hoogspanning

Samenhangende spanning

Een oplossing voor congestie op het ene netniveau betekent niet automatisch de oplossing op het andere. Een uitbreiding van het middenspanningsnet helpt weinig als het hoogspanningsnet daarachter al vol is. En extra ruimte op het hoogspanningsnet lost geen lokaal knelpunt op in een wijkstation of kabel.

Om congestie echt te verminderen, moet je kijken waar in de keten het knelpunt zit. Daarom vraagt netcongestie om maatregelen op meerdere (spannings)niveaus tegelijk: van zwaardere kabels en transformatoren, nieuwe stations en een slimmere benutting van het net, tot meer flexibiliteit in vraag en aanbod.

‘Alle regio’s kennen andere beschikbare transportcapaciteit, andere pieken in vraag en aanbod, een ander flexibiliteitspotentieel én andere verwachtingen ten aanzien van de toekomstige groei. Elke regio vraagt daarom om een eigen aanpak van congestie.’

Flexibiliteit nodig

Deze mismatch van vraag en aanbod roept om in beide situaties om flexibiliteit: het verschuiven van vraag en/of aanbod op de piekmomenten dat er geen transportcapaciteit is. Niet alleen om de huidige mismatch op te lossen. Ook in het energiesysteem van de toekomst is flexibiliteit cruciaal om vraag en aanbod van energie in balans te brengen.

Deze flexibliteit is alleen niet in alle regio’s even makkelijk te vinden. Dit is bijvoorbeeld een van de redenen waarom de situatie in de regio Utrecht nu zo nijpend is: hier is maar beperkte industrie aanwezig. De flexibiliteit moet hier vooral van huishoudens komen. Dit betekent vooral gedragsverandering bij consumenten in het energieverbruik.

Lees hier verder over mogelijke maatregelen.

Regionale verschillen bij afnamecongestie

In gebieden waar veel en gelijktijdig vraag is naar stroom, treedt juist afnamecongestie op. Dit komt vooral voor bij grote energieclusters of stedelijke gebieden. Met name op piekmomenten is er dan meer vraag naar elektriciteit dan het net kan leveren. Hoewel in dichtbevolkte gebieden ons net historisch meer transportcapaciteit heeft (‘zwaarder is uitgevoerd’), voldoet het niet meer aan de enorme vraagtoename tijdens de piekmomenten.

Regionale verschillen bij invoedingscongestie

Invoedingscongestie ontstaat vooral daar waar veel duurzame opwek geconcentreerd is. Dit kunnen landelijke gebieden zijn met veel zon- en windparken. De provincie Groningen en de Noordoostpolder zijn hier goede voorbeelden van. Maar ook lokaler kunnen bedrijfsterreinen veel invoeding laten zien door zonnedaken. Onze kustprovincies kennen ook bovengemiddeld veel invoeding door de windproductie.

In landelijke gebieden is het elektriciteitsnet van oudsher ‘dun’ uitgevoerd. Simpelweg omdat hier minder bedrijven en woningen waren die stroom verbruiken. Het net is daar niet berekend op de teruglevering van opgewekte (zonne- of wind)stroom van grote omvang. Op een zonnige of winderige dag kan dan niet alle stroom getransporteerd worden richting andere gebieden in Nederland. Daarom treedt er in die regio’s dan veel invoedingscongestie op. In andere regio’s, zoals de Randstad, is er nauwelijks sprake van deze invoedingscongestie.

Energy Booster

Netcongestie

Waarom uitkomsten regionaal verschillen
Het ene moment lees je dat er niks meer bij kan in Utrecht. Dan hoor je dat er ruimte is gevonden in Zeeland en bedrijven hier kunnen worden aangesloten terwijl in Groningen geen zonnepark het net meer op kan. Wat maakt dat de ene oplossing wel geschikt is voor Zeeland maar in Noord-Holland geen verschil kan maken?

Het elektriciteitsnet bestaat uit verschillende lagen: hoogspanning, middenspanning en laagspanning. Die netten zijn nauw met elkaar verbonden.

Samenhangende spanning

Flexibiliteit nodig

Deze mismatch van vraag en aanbod roept om in beide situaties om flexibiliteit: het verschuiven van vraag en/of aanbod op de piekmomenten dat er geen transportcapaciteit is. Niet alleen om de huidige mismatch op te lossen. Ook in het energiesysteem van de toekomst is flexibiliteit cruciaal om vraag en aanbod van energie in balans te brengen.

Deze flexibliteit is alleen niet in alle regio’s even makkelijk te vinden. Dit is bijvoorbeeld een van de redenen waarom de situatie in de regio Utrecht nu zo nijpend is: hier is maar beperkte industrie aanwezig. De flexibiliteit moet hier vooral van huishoudens komen. Dit betekent vooral gedragsverandering bij consumenten in het energieverbruik.

Lees hier verder over mogelijke maatregelen.

Het ene moment lees je dat er niks meer bij kan in Utrecht. Dan hoor je dat er ruimte is gevonden in Zeeland en bedrijven hier kunnen worden aangesloten terwijl in Groningen geen zonnepark het net meer op kan. Wat maakt dat de ene oplossing wel geschikt is voor Zeeland maar in Noord-Holland geen verschil kan maken?

Een oplossing voor congestie op het ene netniveau betekent niet automatisch de oplossing op het andere. Een uitbreiding van het middenspanningsnet helpt weinig als het hoogspanningsnet daarachter al vol is. En extra ruimte op het hoogspanningsnet lost geen lokaal knelpunt op in een wijkstation of kabel.

Om congestie echt te verminderen, moet je kijken waar in de keten het knelpunt zit. Daarom vraagt netcongestie om maatregelen op meerdere (spannings)niveaus tegelijk: van zwaardere kabels en transformatoren, nieuwe stations en een slimmere benutting van het net, tot meer flexibiliteit in vraag en aanbod.

‘Alle regio’s kennen andere beschikbare transportcapaciteit, andere pieken in vraag en aanbod, een ander flexibiliteitspotentieel én andere verwachtingen ten aanzien van de toekomstige groei. Elke regio vraagt daarom om een eigen aanpak van congestie.’

Regionale verschillen bij invoedingscongestie

Invoedingscongestie ontstaat vooral daar waar veel duurzame opwek geconcentreerd is. Dit kunnen landelijke gebieden zijn met veel zon- en windparken. De provincie Groningen en de Noordoostpolder zijn hier goede voorbeelden van. Maar ook lokaler kunnen bedrijfsterreinen veel invoeding laten zien door zonnedaken. Onze kustprovincies kennen ook bovengemiddeld veel invoeding door de windproductie.

In landelijke gebieden is het elektriciteitsnet van oudsher ‘dun’ uitgevoerd. Simpelweg omdat hier minder bedrijven en woningen waren die stroom verbruiken. Het net is daar niet berekend op de teruglevering van opgewekte (zonne- of wind)stroom van grote omvang. Op een zonnige of winderige dag kan dan niet alle stroom getransporteerd worden richting andere gebieden in Nederland. Daarom treedt er in die regio’s dan veel invoedingscongestie op. In andere regio’s, zoals de Randstad, is er nauwelijks sprake van deze invoedingscongestie.

Regionale verschillen bij afnamecongestie

In gebieden waar veel en gelijktijdig vraag is naar stroom, treedt juist afnamecongestie op. Dit komt vooral voor bij grote energieclusters of stedelijke gebieden. Met name op piekmomenten is er dan meer vraag naar elektriciteit dan het net kan leveren. Hoewel in dichtbevolkte gebieden ons net historisch meer transportcapaciteit heeft (‘zwaarder is uitgevoerd’), voldoet het niet meer aan de enorme vraagtoename tijdens de piekmomenten.

Netcongestie

Waarom uitkomsten regionaal verschillen

TenneT Magazines

TenneT komt graag met u in contact. Hieronder vindt u een overzicht van onze online magazines over belangrijke thema’s en ons werk en ontwikkelingen in de regio’s.
Volledig scherm